Enter your keyword

Plan Expertgroep Alimentatie om forfaitaire woonlast toe te passen in draagkrachtberekening partneralimentatie

Plan Expertgroep Alimentatie om forfaitaire woonlast toe te passen in draagkrachtberekening partneralimentatie

Plan Expertgroep Alimentatie om forfaitaire woonlast toe te passen in draagkrachtberekening partneralimentatie

Sinds 2013 wordt bij het berekenen van de draagkracht om kinderalimentatie te kunnen betalen, gerekend met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen en een forfaitair bedrag voor ziektekosten. De vraag of de alimentatieplichtige een hogere of lagere woonlast heeft of de woonlast kan delen met een nieuwe partner waarmee wordt samengewoond, speelt in beginsel geen rol. Bij het berekenen van de draagkracht om partneralimentatie te kunnen betalen, wordt echter gerekend met de werkelijke woonlast van de alimentatieplichtige en wordt ervan uitgegaan dat een nieuwe partner van de alimentatieplichtige in beginsel de helft van de woonlast kan betalen. De Expertgroep Alimentatie is van plan om dit gelijk te trekken en de draagkracht voor partneralimentatie vanaf 1 januari 2023 voortaan ook te gaan berekenen met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen en de mogelijkheid dat een nieuwe partner kan meebetalen aan de woonlasten van de alimentatieplichtige geen rol meer te laten spelen.

Huidige alimentatierichtlijnen partneralimentatie over woonlasten

  • daadwerkelijke woonlast op voorwaarde dat dit een redelijke woonlast is;
  • een woonlast van maximaal 33% van het netto besteedbaar inkomen wordt als een redelijke woonlast aangemerkt;
  • de alimentatieplichtige wordt geacht de woonlast te kunnen delen met de nieuwe partner waarmee wordt samengewoond.

Plan Expertgroep Alimentatie vanaf januari 2023

  • forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen;
  • het samenwonen met een nieuwe partner heeft geen invloed op de woonlast waarmee wordt gerekend.

De achterliggende gedachte van het nieuwe plan is dat de draagkracht voor zowel kinder- als partneralimentatie op dezelfde wijze wordt berekend en dat dit een vereenvoudiging van de wijze van berekening betekent waardoor de voorspelbaarheid van de uitkomst toeneemt en daarmee ook de rechtszekerheid wordt vergroot.

De praktijk heeft uitgewezen dat dit in kwesties over kinderalimentatie zeker het geval is geweest. Echter, in de situatie waarin er sprake is van een lagere werkelijke woonlast dan het forfait van 30% wordt er veel geprocedeerd over de vraag of inderdaad met het forfait of toch met de lagere daadwerkelijke woonlast van de alimentatieplichtige gerekend dient te worden. In de praktijk wordt bij een tekort aan draagkracht bij de ouders om de volledige kosten van het kind te kunnen betalen en een lagere werkelijke woonlast dan het forfait van 30% een uitzondering gemaakt en met de daadwerkelijke lagere woonlast gerekend.

Gezien de krapte op de woonmarkt die leidt tot hoge huurprijzen valt te verwachten dat met name het tegenovergestelde geval waarin de alimentatieplichtige hogere woonlasten heeft dan het forfait waarmee gerekend wordt tot de nodige discussie en gerechtelijke procedures zal leiden.

De Expertgroep geeft aan dat er ruimte blijft voor maatwerk en dat indien er sprake is van niet verwijtbare en niet vermijdbare woonlasten een uitzondering gemaakt kan worden op toepassing van het forfait.

De nieuwe berekeningswijze zal waarschijnlijk van toepassing worden op partneralimentaties met een ingangsdatum die gelegen zal zijn na 1 januari 2023. De wet bepaalt in artikel 1:401 lid 1 BW dat een alimentatie kan worden gewijzigd indien er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Invoering van de nieuwe berekeningswijze zal niet worden aangemerkt als een relevante wijziging van omstandigheden. Voor toepassing van genoemd wetsartikel zal een bijkomende relevante wijziging noodzakelijk zijn.